We worden allemaal-vroeg of laat- geconfronteerd met situaties van rouw en verdriet, persoonlijk of bij mensen in onze omgeving.
En dan willen we iets betekenen voor onze medemens, we willen troosten, helpen, een verschil maken. Dat klinkt makkelijker dan het is. Want vaak ontbreekt het ons aan woorden en twijfelen wat de juiste keuze is om gestalte te geven aan die troost. Dat is logisch want ieder van ons zal troost op een andere manier ervaren of erop reageren.
De Tilburgse psycho-gerontoloog Huub Buijssen herformuleert in zijn boek ‘[d]e vijf talen van troost’ welke de keuzes zijn om mensen met verdriet en in rouw bij te staan. Hij laat zich daarbij inspireren op het principe van de liefdestalen (het uiten en ontvangen van liefde) van Gary Chapman maar dan toegepast op situaties van rouw. Daar iedereen troost op een andere manier ervaart- en naar het me doet voorkomen iets dat ook kan veranderen doorheen de tijd-is het handig om de troosttaal van de ander te herkennen, waarbij Buijssen er vijf onderscheidt: (1) intentioneel en oprecht empathisch luisteren; (2) fysieke nabijheid als een vorm ‘er zijn voor de ander’ vaak zonder woorden; (3) gebaren, symbolisch of materieel, die de georiënteerdheid en nabijheid van de ander benadrukken; (4) praktische ondersteuning in dingen die moeten gebeuren, plannen en het ontlasten van de rouwende; en (5) lichamelijke aanraking, een hand op de schouder en knuffel met aandacht voor de wenselijkheid waarmee dat ervaren wordt door de rouwende.
Buijssen neemt- terecht- zijn tijd vooraleer hij landt bij deze vijf talen. De keuze voor en concrete invulling van de geschikte taal vereist een enigszins chirurgisch begrip van wat rouw is. Rouw is de prijs van liefde (die er niet meer is). Die liefde blijft nu onbeantwoord en daar is geen pasklare oplossing voor.
Eerder dan je te oriënteren op een oplossing of het verschil te willen maken is de nabijheid essentieel, zelfs als je met lege handen komt. Troosten doe je best zonder er nadrukkelijk op uit te zijn. Zo refereert Buijssen ‘[k]om maar met lege handen. Ik vul ze wel met mijn verdriet’, waarbij momenten van stilte uitingen zijn van eerbied. Het is namelijk in het herinneren dat het verlorene zich weer als nabij laat ervaren. Het doet denken aan de vrienden uit het bijbelboek Job die ‘zeven dagen en nachten zwijgend bij hem op de grond zitten’ omdat zij het aanzienlijke verdriet van Job zien en ervaren. Buijssen reikt vele ideeën aan om invulling te geven aan die troosttaal waarbij het persoonlijke van de troost en het bijzondere van de relatie, zowel tussen trooster en rouwende, maar ook tussen rouwende en het verlorene, centraal mag staan. Het rouwen doet namelijk zoveel pijn als dat het waard is, en hoeveel dat is is nooit echt goed onder woorden te brengen, al was het maar omdat je het dan kunstmatig zou insnoeren en onnodig categoriseren of definiëren. Je hebt jezelf weggegeven in die liefde en dus sterft een deel van jezelf. Dat behoeft geen verdere invulling.
Te waarderen in het boek van Buijssen is dat hij de liefde, de agapè (ἀγάπη) die fundamentele welwillendheid ten aanzien van de ander, het verlorene, een centrale plek geeft. Het is die zichzelf weggevende liefde die ook in het christendom een zo prominente rol speelt en de link vormt met het transcendente. Het is geen gevoel maar een kracht, een kwaliteit van leven. En daar men er zich volledig in weggeeft speelt de individuele persoonlijkheid een rol in de manier waarop rouw zich manifesteert en laat inkleuren, eenmaal het doel van die liefde wegvalt. Rouw is en blijft een persoonlijke beleving.
Buijssen weet een heel eigen invulling te geven aan het thema rouw(verwerking), een plek die druk bezocht en beschreven wordt, ook door landgenoten als Manu Keirse en Dirk de Wachter. Buijssen kiest ervoor om zijn adviezen te documenteren, ook met literatuur. Niet alleen de vakliteratuur maar ook de ‘echte’ literatuur, die we appreciëren in de mate dat het iets fundamenteels zegt over de mens, de maatschappij en de werkelijkheid op een manier waarop wetenschappelijke inzichten dat niet kunnen maar die we toch herkennen. Ook beminnelijk is het tussenhoofdstuk waarin hij zich afvraagt waarom we het zo moeilijk vinden om gepast te reageren in de nabijheid van een rouwende medemens. Daarbij heeft hij aandacht voor wijzigende normen en waarden, de (ir)relevantie van rituelen, het taboe dat (nog steeds) kleeft rond de dood, en het verschil tussen mannelijke en vrouwelijke rouwstijlen.
En voor de minder aandachtige of louter praktische lezer is er op het einde van ieder hoofdstuk een ‘belangrijkste lessen’ afsluiter. Wie verder wil lezen kan additionele hoofdstukken gratis online downloaden, vanzelfsprekend een aanrader.
De vijf talen van troost is een boek dat ieder die zelfbewust mensen nabij wil zijn die door een woestijntijd gaan moet gelezen hebben. Het zal je helpen door het verraderlijke domein van rouw(verwerking) te navigeren en je wordt er bovenop zelf meer mens van.
Huub Buijssen,(2025), De vijf talen van troost, Tred Uitgeverij, Tilburg, 186 pp.
Dr. Luc Nijs is voorzitter van de kerkenraad van de protestantse kerk Turnhout en proponent binnen het netwerk van Belgische protestantse kerken (VPKB)

